
Ajax nam dertig jaar geleden afscheid van Stadion De Meer
SportDIEMEN Het is op 28 april dertig jaar geleden dat Ajax voor het laatst een wedstrijd in Stadion De Meer speelde. Er was een nauwe band tussen het sfeervolle stadion in de Watergraafsmeer en Diemen. Een van de staantribunes had niet voor niets de naam Diemenzijde.
Ajax speelde op zondagmiddag 28 april 1996 een thuiswedstrijd tegen Willem II. De ploeg van trainer Louis van Gaal won met 5-1 van de ploeg uit Tilburg. Ajax kwam op een 5-0 voorsprong, waarna spits Jack de Gier van Willem II de eindstand op 5-1 bepaalde. De Gier maakte dus het laatste doelpunt in Stadion De Meer en verwierf zich daarmee een plaats in de boeken. Bijzonder is dat Jack de Gier al jaren inwoner van Diemen is. Hij is al enkele jaren technisch directeur van sv Diemen.
We vroegen Jack de Gier naar die treffer: “Joonas Kolkka gaf de bal vanaf links op Earnest Stewart. Stewart kopte de bal voor het doel langs en ik schoot bij de tweede paal binnen. Ik weet nog dat Edwin van der Sar na dat doelpunt tegen mij zei: ‘Klootzak, was dat nou nodig?’ Na afloop van de wedstrijd besefte ik dat ik een historisch doelpunt had gemaakt. Ik word in Diemen regelmatig aangesproken op dat doelpunt. Er wonen hier veel Ajax-supporters. Er zijn de laatste jaren weer een aantal boeken over Ajax verschenen en daarin wordt ook mijn doelpunt genoemd. Dat is natuurlijk heel leuk.”
Onder de bezoekers van de thuiswedstrijd van Ajax waren veel inwoners van Diemen. Zij stapten de deur uit en arriveerden na een korte wandeling bij het stadion, dat in 1934 in gebruik werd genomen. Daarvoor speelde Ajax in ‘Het Houten Stadion’, dat ter hoogte van het tegenwoordige Christiaan Huygensplein lag.
Maar ook veel supporters die verder weg woonden, gingen via Diemen naar het stadion. Sinds de opening van het NS-station in het centrum van Diemen in 1974 arriveerden zij op het station in Diemen en liepen vervolgens via de Martin Luther Kinglaan en de Tobias Asserlaan naar het bruggetje over de Ringvaart en daarna verder naar het stadion. Supporters die met de auto kwamen, parkeerden hun voertuig aanvankelijk graag in Diemen. Dit leidde tot grote parkeerproblemen. Die werden na verloop van tijd door de gemeente opgelost door rond de thuiswedstrijden van Ajax alleen inwoners van Diemen en hun bezoekers toestemming te geven om Diemen in te rijden.
Aan het einde van de jaren zeventig kreeg Nederland te maken met hooligans, een verschijnsel dat uit Engeland was overgekomen. Er waren ook confrontaties tussen supporters van de F-side en die van bezoekende clubs, ook in de omgeving van het station in Diemen.
Op zondag 17 januari 1993 arriveerden twee treinen met supporters van FC Utrecht op het station van Diemen. Zij waren op weg naar de wedstrijd Ajax–FC Utrecht. Burgemeester Bob de Hon van Diemen was aanwezig bij het station. Supporters van de club uit de Domstad riepen antisemitische leuzen. De Hon greep resoluut in en stuurde de negenhonderd supporters terug naar Utrecht. Zij kwamen nooit aan in Stadion De Meer. Diemen was die dag landelijk nieuws.
Steven Dijk (74), voormalig wethouder van Diemen, geboren in het Drentse Coevorden, is van jongs af aan Ajax-supporter. “De eerste wedstrijd die ik bezocht, was Ajax–Go Ahead in 1969. Bij Go Ahead speelde toen Oeki Hoekema. Hij had net als ik rood haar en omdat ik met een accent praatte, dachten sommige mensen op de tribune dat ik zijn neef was.”
In het seizoen 1970-1971, toen Ajax voor het eerst de Europa Cup I won, bezocht Steven Dijk alle Europa Cup-wedstrijden van Ajax in het Olympisch Stadion. “Ik had met de decaan van mijn middelbare school geregeld dat ik op donderdag na de wedstrijd een afspraak had om me te oriënteren op mijn toekomstige studie aan de universiteit in Amsterdam. Ik hoefde dan woensdag en donderdag niet naar school. Die decaan was overigens mijn vader. Als eindexamencadeau mocht ik naar de finale tussen Ajax en Panathinaikos op Wembley in Londen.”
Toen hij later op studentencomplex Uilenstede in Amstelveen woonde, bezocht Dijk samen met een vriend en hun vriendinnen alle thuiswedstrijden van Ajax in het Stadion De Meer. “Wij stonden altijd op vak E aan de Diemenzijde. Die vriend van mij is in 1976 overleden na een ongeluk. Ik woonde toen inmiddels in een studentenflat aan de Rode Kruislaan in Diemen. Wij zijn na het ongeluk een paar weken niet naar Ajax gegaan en besloten daarna ‘opnieuw’ te beginnen. Sinds die tijd stonden wij op een vak aan de Stadszijde.”
Ad Saan (69) uit Diemen gaat van jongs af aan naar wedstrijden van Ajax. “Ik ging als kind al samen met mijn vader naar het Ajax-stadion. Ik vond het geweldig en heb spelers als Johan Cruijff, Sjaak Swart, Piet Keizer en Bennie Muller zien spelen. Ik ben later een tijd door studie en dienstplicht niet naar de wedstrijden van Ajax geweest. Maar mijn vrouw Ankie en ik gaan alweer 43 jaar naar de thuiswedstrijden van Ajax, zowel in De Meer als in de Johan Cruijff ArenA. Het Ajax-stadion was natuurlijk speciaal en sfeervol. Maar op een gegeven moment kon het niet meer: het stadion voldeed niet meer aan de moderne eisen. Het is logisch dat Ajax in 1996 naar een modern stadion is verhuisd.”
Ad Saan heeft altijd bij het familiebedrijf Koninklijke Saan in Diemen gewerkt. “Wij hebben Ajax in 1996 van het Ajax-stadion naar de toen nog Amsterdam ArenA verhuisd. Samen met Patrick Post begeleidde ik namens Koninklijke Saan dat project. Ik vond het bijzonder om als Ajax-supporter dat project te doen. We hebben onder andere de inhoud van de kantoren, kleedkamers en de bekers verhuisd: de Europa Cups en de wereldbekers.”
Door de jaren heen hebben er altijd veel Ajax-spelers in Diemen gewoond. Mister Ajax Sjaak Swart woont hier nog steeds. Barry Westerbeek uit Diemen: “Wij woonden vroeger in de Pater Pirestraat en voetbalden vaak op het grasveldje tegenover de eerste flat aan de Tobias Asserlaan, vlak bij de Arent Krijtsstraat. Ik voetbalde meestal met mijn broer Robert en vrienden René de Bruijn, Michel de Graeve en Kees Busker. Een aantal spelers die van de training kwamen, deden weleens met ons mee: Jesper Olsen, Jan Mølby, Sören Lerby en Hans Galjé. Dat was natuurlijk heel leuk.”







