‘Financiële positie van de gemeente is goed’
DIEMEN De financiële positie van de gemeente Diemen is goed. Het jaar 2025 sloot de gemeente af met een positief saldo. Een deel van het geld dat overbleef, is toegevoegd aan de spaarpot van de gemeente. Deze solide basis biedt een buffer voor de ambities van het college en voor mogelijke tegenvallers de komende jaren.
Vorige week bood het college van burgemeester en wethouders de gemeenteraad de Kadernota 2027 aan. De Kadernota legt de uitgangspunten vast voor het opstellen van de Programmabegroting 2027. De financiële uitwerking van nieuw beleid voortvloeiend uit het coalitieakkoord verwerkt het college in de Programmabegroting 2027. De begroting wordt dit najaar aangeboden.
“In de Kadernota is het financiële perspectief opgenomen op basis van het aantal inwoners en de bijhorende algemene uitkering uit het Gemeentefonds van het Rijk. De gemeente gaat ervanuit dat we blijven bouwen en dat het aantal inwoners blijft groeien. Eind 2027 verwachten we ruim 17.000 woningen en 35.000 inwoners”, aldus het college van B en W.
“Door een nieuwe verdeelsystematiek voor de middelen vanuit het Rijk, gaat Diemen er in de komende jaren ruim € 3 miljoen op achteruit. Voor 2027 werd al rekening gehouden met een verlaging van € 0,5 miljoen, maar kortgeleden werd duidelijk dat dit pas vanaf 2029 ingaat.”
Perspectief
“Dat maakt het perspectief voor 2027 gunstiger dan het meerjarenperspectief in de begroting van 2026. Maar op de langere termijn blijft de verwachting dat er krappere tijden aankomen. De Kadernota is dit jaar door de gemeenteraadsverkiezingen anders dan andere jaren. Gewoonlijk bevat de kadernota nieuw beleid. Het meeste nieuwe beleid komt voort uit de ambities in het coalitieakkoord Samen Verder. Er was voor de Kadernota onvoldoende tijd om dit al uit te werken. Het nieuwe beleid neemt het college op in de Programmabegroting 2027, die in november door de gemeenteraad wordt behandeld”, aldus het college van B en W.
Wethouder Sofie Kuilman: “Het is goed nieuws dat we voor de komende twee jaar nog geen rekening hoeven houden met een lagere uitkering van het Rijk.”
3